Raadslid in 2016: 15,9 uur of ‘eight days a week’?

Geplaatst op 27 april 2016

Het rapport kent twee hoofdstukken (en een viertal bijlagen).
In het eerste hoofdstuk wordt een aantal elementen genoemd die maken dat de rol van de raad(sleden) ter discussie is komen te staan: regionalisering, vermenging privaat en publiek domein, politieke fragmentatie, nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid en -initiatief en de aandacht die er is voor versterking van de lokale democratie. Daarnaast concludeert de Rob dat raadsleden steeds minder sturend kunnen zijn op veel dossiers, binnen de samenleving nog weinig gezaghebbend zijn (wie vertegenwoordigen ze eigenlijk nog?) en steeds meer in tijdnood lijken te komen voor de toenemende hoeveelheid raadswerk.

Wie dit alles op zich in laat werken zou toch denken dat het tijd is voor een fundamentele herbezinning op de positie van de raad binnen het lokaal bestuur.
Want: wat zijn de politieke gevolgen van een ontwikkeling waarbij het Rijk veel taken bij de gemeente legt die te omvangrijk zijn om ‘alleen’ uit te voeren? Waardoor alleen maar meer tussen gemeenten moet worden samengewerkt? Welke politieke consequenties zou je moeten verbinden aan een ontwikkeling waarbij haast niemand zich meer rechtstreeks en voor vier jaar vertegenwoordigd voelt? En iedereen via facebook en twitter aan de raadsleden kan laten weten welk besluit ze de volgende dag zouden moeten nemen? En hoe moeten al die nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid bij de eigen buurt of wijk zich verhouden tot de productie van meerjarenvisies en beleidsplannen?

Maar nee, het antwoord van de Rob gaat niet gepaard met ook maar enige filosofische bespiegeling op de toekomstige verhoudingen binnen de lokale politiek. Wat we volgens Wallage c.s. gewoon nodig hebben is een “sterke gemeenteraad” die “krachtiger en bewuster optreedt” (pag. 19).
Hoofdstuk 2 maakt dan ook razendsnel de stap van naar een vijftal praktische adviezen.
Het raadslid anno nu…

  1. moet meer de boer op moet ten koste van het vergaderen en stukken lezen (“vertegenwoordigen is een werkwoord”)top5
  2. mag best een beetje gas terugnemen in het ‘politiek bedrijven’ (“burgers hebben liever oplossingen dan politieke strijd”)
  3. moet bij alle veranderingen goed opletten dat de democratische burgerrechten gewaarborgd blijven (“gelijke gevallen gelijk behandelen”)
  4. moet slimmer samenwerken met collega-raadsleden binnen én buiten de eigen fractie (“samen eens?, dan elkaar het woord laten voeren”)
  5. kan nog wel een extra slag maken met een deskundige griffie, de inzet van fractievolgers en effectievere vergadermethoden (“burgerraadsleden doen alvast ervaring op”).

Ik moet zeggen dat ik in de ruim 25 jaar dat ik binnen het lokaal bestuur heb gewerkt een aantal van deze adviezen toch al regelmatig heb gepredikt (bijv. 1, 2 en 5) of in elk geval heb zien langskomen. Daarmee kan ik de lijst-van-5 niet revolutionair noemen, en de uitwerking ervan is vooralsnog wat mager.
Daarom wil ik graag een paar opmerkingen kwijt die de discussie over de rol en functie van het raadslid van de hopelijk nabije toekomst verder kunnen helpen. Vooralsnog beperk ik me daarbij tot de materie die in het rapport aan de orde komt.

  • De raad mag wel wat minder politiek
    Het heeft me altijd al flink bezig gehouden dat een dorp of stad ‘geregeerd’ moet worden door een gezelschap dat elkaars opvattingen ten principale voortdurend wil bestrijden. De spagaat die dat veroorzaakt met het sámen gemeentebestuur zijn is er volgens mij mede debet aan dat er zo weinig vertrouwen is in de lokale politiek. De Rob maakt hier terecht een punt van. Het zou alleen aardig zijn als het rapport ook wat ideeën aanreikt om aan deze spagaat te ontsnappen. Ik heb al eerder betoogd dat het een gemeenteraad niet zou misstaan om zich de basics van de dialoog eigen te maken. Waarom zou er niet expliciet ruimte kunnen worden gecreëerd voor bijeenkomsten waar – nog niet gerijpte – voorstellen béter gemaakt kunnen worden door (desnoods fractiegewijs) ideeën aan te dragen? En dan natuurlijk zonder dat ze door andere fracties worden afgeschoten…
  • De raad mag wel eens meer samenwerken
    Ook een waardevolle aanbeveling van de Rob, maar de uitwerking mag best iets verder gaan dan “gedeeld woordvoerderschap”. In het verlengde van wat ik hierboven noemde lijkt het me buitengewoon waardevol dat er bij het begin van een raadsperiode serieus werk wordt gemaakt van de vraag wat de verschillende fracties bindt. Niet om tot een vaag geformuleerd coalitieakkoord te komen, maar om een basis te vinden voor een gezamenlijke inspanning voor de gemeente. En om daar maar eens een nieuwerwetse gril bij te halen: daar zou een G1000-achtige opzet een bijdrage aan kunnen leveren.
  • De raad moet gelijke gevallen gelijk behandelen…..
    …. maar niet te snel denken dat gevallen altijd gelijk zijn. Het is nog maar een paar jaar geleden dat de RMO ervoor pleitte “maatschappelijke initiatieven inhoudelijke zeggenschap te geven en de consequentie te aanvaarden dat dit leidt tot verschil in inhoud, omvang, identiteit en kwaliteit”. Lastige materie, dat zeker, maar het lijkt me jammer als het voorzichtig nadenken over een meer flexibele overheidsbemoeienis met maatschappelijke ontwikkelingen hierbij zo krachtig de kop wordt ingedrukt.  Vanwaar de haast om “”jongeren met een voorstel voor een skate-ramp op dezelfde manier tegemoet te komen als ouderen die een jeux-de-boules-baan wensen” (pag. 24)?
    Het zou boeiend zijn als een gemeenteraad het lef had eens te discussiëren over de vraag of de overheid (vaak) kwalitatief verschillende gevallen niet wat vaker ook verschillend durft te behandelen…
  • Raadsleden moet meer buiten dan binnen aan het werk zijn
    interruptDe Rob onderstreept graag het belang van de volksvertegenwoordigende rol van het raadslid. Alleen, ook hier mag het een tikje spitser. Natuurlijk is het belangrijk om de wijsheid en inzichten van de burgers te benutten in het raadsdebat en een raadsvergadering op locatie te combineren met een werkbezoek. Maar wat heeft de Rob gedaan met de aanbeveling van de Gemeenteraad van de Toekomst dat het raadslid vooral verbinder van ideeën moet worden? Dat gaat een slag verder: het veronderstelt dat de agenda van het raadslid vooral buiten het stadhuis moet worden opgesteld. En dat is vooral een mentale kwestie: raadslid ben je gewoon ‘eight days a week’.
  • Raadsleden moeten beter worden gefaciliteerd en toegerust
    Een jaar of vier geleden heb ik eens een rondje langs een aantal griffies gemaakt met de vraag hoe het stond met de opleidings- en scholingsbudgetten van de raad. Ze waren vrijwel overal wegbezuinigd! Ik ben bang dat het sindsdien niet verbeterd is.
    Veel aanbevelingen in het Rob-rapport gaan over het veranderen van gewoontes en het aanleren van een andere attitude van het raadslid. Van buiten naar binnen werken vraagt ook nieuwe vaardigheden die de raadsleden niet direct komen aanwaaien.Maar ben ik een slager die zijn eigen vlees keurt als ik zeg dat het doodzonde is als raadsleden zo weinig investeren in hun eigen deskundigheid? Elke manager en zzp’er weet dat de kwaliteit van je werk dan achteruit holt…

Het rapport ‘15,9 uur’ geeft gemeenteraden, politieke fracties en individuele raadsleden hopelijk een aanzet om de focus weer eens scherp te stellen: waar zijn we van en waar liggen onze prioriteiten? De vijf aanbevelingen zullen hierbij vast behulpzaam kunnen zijn. Maar om deze aanzet ook werkelijk te vertalen naar wezenlijke stappen vooruit is meer nodig. Alleen het rapport lezen is daarvoor bij lange na niet genoeg.

Share on FacebookShare on LinkedInShare on Google+Tweet about this on TwitterEmail this to someone