Eigenbelang en de publieke zaak

Geplaatst op 22 januari 2019

Afgelopen najaar had ik een interessante klus in de Betuwe. Het gemeentebestuur ter plaatse besloot de inwoners een belangrijke rol te geven in de zoektocht naar een geschikte woonplek voor mensen met een psychische aandoening. Een typisch NIMBY-traject dus.

Een eerdere poging van het College om zo’n precair besluit ‘onder de kaasstolp’ van het stadhuis voor te bereiden leidde tot grote commotie in het stadje. Iedereen vindt natuurlijk dat alle mensen recht hebben op een huis om in te wonen, maarre… toch liever ergens anders.

Een groep van 18 inwoners gaf gehoor aan de oproep van de gemeente om zitting te nemen in een begeleidingsgroep, die als opdracht kreeg om voor het plan ‘Anders Wonen’ criteria op te stellen en vervolgens een shortlist van concrete locaties in de stad aan te leveren. In een periode van vijf maanden  kwam de groep maar liefst 6 avonden bij elkaar, en daar was een werkbezoek aan een stad die al ervaring met een soortgelijk geval had opgedaan nog niet bij inbegrepen.

147693962-4bc897b2Als extern ingehuurde procesbegeleider kreeg ik de uitdaging de groep bij elkaar te houden en naar een gezamenlijk gedragen succes te helpen. En natuurlijk wist ik dat de belangen bij de start bepaald niet gelijkgezind waren. Een paar deelnemers hadden zich overduidelijk aangemeld met als agenda te voorkomen dat de eerste keuze van de gemeente alsnog gerealiseerd zou worden, anderen wilden betrokken zijn vanuit grote compassie met de doelgroep en bij een enkeling was rancune tegenover ‘de gemeente’ een belangrijke drijfveer. Zie daar maar eens soep van te maken.

Mijn plan was om aan het eind van de eerste bijeenkomst iedereen een ‘contract’ te laten ondertekenen waarin drie bepalingen waren opgenomen: (1) eigenbelang mág, (2) maar iedere inwoner van de stad heeft recht op een woonplek en (3) na een zorgvuldig proces verbinden we ons samen aan de uitkomst, “ook al kunnen we die vanavond écht niet thuis verkopen”.
En dat commitment kwam er!

Ik ga niet vertellen dat de race daarmee direct gelopen was. We kwamen onderweg nog flinke hobbels tegen en soms werd het even heel spannend, maar aan het eind van de rit slaagden we er in hand-in-hand de finish te halen en konden we de gemeenteraad een top-5 plus een eerste keus voorleggen.

Wat was het succes van dit experiment?
Tijd en vertrouwen.download
In de eerste bijeenkomsten popte de argwaan tegen de gemeente die-toch-nooit-naar-ons-luistert voortdurend op. Daartegenover stelden we transparantie plus het vaste voornemen vooral vooruit te kijken.  En gaandeweg gingen zelfs degenen die er eerst met gestrekt been in leken te gaan actief mee zoeken naar een oplossing die goed voelde voor alle partijen. Begonnen we elkaar ook steeds beter te vertrouwen, ook waar de belangen eerst zo verschillend waren.
En inderdaad, zo’n proces vreet tijd. En kost ook een beetje. Maar draagvlak creëren doe je niet op een achternamiddag, zeker niet als (sommige) inwoners zich in het voortraject belazerd voelden.

Bij de evaluatie van het project bleek dat alle deelnemers in het proces positief waren. Iedereen voelde zich serieus genomen, er werd echt naar elkaar geluisterd , en belangen en zorgen mochten er over en weer zijn.

En de gemeenteraad stelde instemmend en dankbaar vast: alleen ga je misschien sneller, maar samen kom je toch echt verder.

Wilhelmus en het nieuwe kabinet

Geplaatst op 17 augustus 2017

Het is bemoedigend om te lezen dat de coalitiebesprekingen gestaag vorderen. Dankzij het lekken (vreemd, dat komt toch meestal bij oudere mannen dan Pechtolt voor) weten we inmiddels ook dat er de afgelopen week belangrijke stappen zijn gezet waar ons land straks echt mee verder kan. Heikele horden rond euthanasie en embryoselectie lijken te zijn genomen, en nu blijkt er ook al overeenstemming te zijn over het zingen van het Wilhelmus.

Het Wilhelmus?

wilDoor het illegaal verworven kijkje dat we kregen in de keuken van de kabinetsformatie wordt het allengs duidelijker waarom die dit keer zo lang gaat duren. Veel belangrijke thema’s moeten immers worden ‘afgetikt’ om straks als vierpartijenregering effectief aan de slag te kunnen. Het aanleren en samen zingen van ons volkslied valt daar uiteraard onder. Maar vertrouwelijke bronnen melden dat over veel meer van dit soort onderwerpen nog overeenstemming moet worden bereikt. Om er een paar te noemen:

  • de nieuwe wektijden en ochtendrituelen in verpleeghuizen
  • de afschaffing van de vrijdagmiddagborrel bij overheidsdiensten
  • invoering van een maximumkijktijd naar beeldschermen
  • uitbreiding van de groetplicht naar vreemdelingen.

Stuk voor stuk heikele punten waar de partijen heel verschillende standpunten over in lijken te nemen. De onderhandelaars zijn het er echter over eens dat het van groot belang is dat er de komende vier jaar vanuit wederzijds vertrouwen gewerkt kan worden. En dat lijkt vooral kansrijk als er veel belangrijke onderwerpen ‘aan de voorkant’ geregeld worden, zodat het nieuwe kabinet niet bij de eerste horde al uit elkaar gespeeld wordt.

Zonder dollen, de vraag lijkt me aan de orde tot op welk niveau zaken bij een kabinetsformatie geregeld moet worden. Uiteraard is het belangrijk ‘elkaars nieren te proeven’ voordat je samen in zee gaat, en over belangrijke thema’s zul je van tevoren overeenstemming willen bereiken. Maar het Wilhelmus?

De laatste jaren wordt er veel gezegd en geschreven over vernieuwing van het openbaar bestuur. Een van de zaken die daarin steeds terugkomt is de ergernis dat zoveel zaken binnenskamers van tevoren geregeld worden, en dat de volksvertegenwoordigers vooral rituele dansen uitvoeren waarvan de afloop bij voorbaat toch al vaststaat.

Gelukkig dringt op lokaal niveau langzamerhand het besef door dat je college-akkoorden vooral op hoofdlijnen en in procestermen moet afsluiten. Maar blijkbaar wil Den Haag nu al voor vier jaar afspreken hoeveel coupletten van het Wilhelmus straks door de leerkrachten overhoord moeten worden.
Dat maakt me benieuwd naar alles dat nog niet is uitgelekt. Welk Handboek van Maatregelen zal straks het licht zien?

Rotterdam en de gelote burger

Geplaatst op 2 maart 2017

 

Tussen alle verkiezingsgeweld door een interessant bericht uit de wereld van het binnenlands bestuur. Vorige week meldde Gemeente.nu dat de gemeente Rotterdam de komende raadsperiode gaat experimenteren met gelote burgers in een aantal wijkraden.

Rotterdam kende – net als Amsterdam – tot 2014 stadsdeelraden, gekozen organen met een flink aantal bevoegdheden. Een soort gemeenteraden op de schaal van het stadsdeel dus. Het Rijk wilde van deze stiekeme vierde bestuurslaag af en vervolgens installeerde de gemeente 14 gebiedscommissies die een minder formele positie kregen. Ze kregen de rol van adviseur en –  als verlengstuk van het gemeentebestuur – vertegenwoordiger van de stad in het gebied.

Al een jaar later constateerde de Rotterdamse Rekenkamer dat de gebiedscommissies weinig bijdroegen aan een van de belangrijkste doelen die waren gesteld: het vergroten van de invloed van de burgers op de politieke besluitvorming. En prompt vroegen enkele partijen in de raad om een evaluatie van de ‘inrichting en werkwijze’ van deze commissies.

De evaluatie kwam er: in november 2016 bracht de Erasmus Universiteit het rapport Een kwestie van kiezen uit. Het voert te ver om het rapport hier te bespreken, maar eufemistisch gezegd was de conclusie toch vooral dat deze veranderde bestuursstructuur geen verbetering had opgeleverd. Niet dichter bij de burger, te weinig inhoud gevend aan de diversiteit van gebieden, geen toename van participatie van Rotterdammers bij beleidsvorming en uitvoering. Om maar eens drie Rotterdamse kernwaarden van het bestuurlijk model te citeren.

schermafbeelding-2017-03-02-om-16-22-35Dat Rotterdammers snel van woorden naar daden overgaan bewees de raadsvergadering van 23 februari, waarin de evaluatie werd besproken. Pal op het besluit “tot het invullen van de verdere ontwikkeling van het Rotterdams bestuursmodel op basis van de in het rapport genoemde aanbevelingen” werd een motie aangenomen waarin stond dat bij wijze van experiment in de komende raadsperiode twee gebiedscommissies worden opgeheven ten gunste van een aantal wijkraden waarin gelote burgers mogen plaatsnemen.
In de evaluatie stond nog voorzichtig dat “(…) het uitgangspunt van maatwerk en diversiteit op termijn ook moet kunnen leiden tot verschillende vormen van vertegenwoordiging in verschillende gebieden of wijken, en daarmee mogelijk dus ook het verdwijnen van de gebiedscommissie in (sommige) Rotterdamse gebieden”. Dat ging de gemeenteraad blijkbaar niet snel genoeg: die is er eentje van ‘niet lullen maar poetsen’.

Ik ben benieuwd. En herinner me dat ik in 2013 een training Overheidsparticipatie mocht geven aan een fors aantal ambtenaren van – toen nog – een van de stadsdeelkantoren in Rotterdam.
Ik had in die tijd net Van Reybrouck’s Tegen verkiezingen (hier in DWDD) gelezen en zei dat ik het jammer vond dat Rotterdam een uitgelezen kans om te experimenteren met gelote burgers in deze adviesraden voorbij had laten gaan. maar nee, in plaats daarvan werden de kandidatenlijsten voor de verkiezingen van de gebiedscommissies weer ontsierd met de bekende partijnamen.

 

(En ondertussen kwam – ook vorige week – de Universiteit van Tilburg met een onderzoek naar buiten dat uitwees dat maar heel weinig mensen de handen op elkaar krijgen voor een vertegenwoordiging van gelote burgers in de Tweede Kamer. Het zal mijn tijd wel duren…)

 

Code Oranje – voor de politiek én voor de burger

Geplaatst op 1 november 2016

Een uurtje geleden stond ik te wachten op mijn bestelling bij de viskraam in het nabije wijkwinkelcentrum. De visverkoper – gezien zijn leeftijd had hij alvast een voorschot genomen op de zoveelste ophoging van de pensioengerechtigde leeftijd – pakte net een lekkerbekje in voor een leeftijdgenoot die al wel ‘in ruste’ was. Op de opmerking “Ja, we worden allemaal een dagje ouder”, waar ik duidelijk ook bij aangesproken werd, ontspon zich een gesprek dat ongeveer als volgt verliep.

173“Iedereen wil jong blijven, maar je doet er niks aan.”
“Nou, ik zou niet meer jong willen wezen met de mentaliteit van nu, er is totaal geen respect meer tegenwoordig.”
“De jeugd loopt alleen nog maar op mobieltjes te kijken en is alleen nog maar op internet bezig.”
“Het is toch ook een zootje in de samenleving? Neem de politiek. Nou heeft Timmermans een miljard aan de Oekraïne beloofd, laat ie eerst eens kijken hoeveel Russen die gasten indertijd onder de grond hebben geschoffeld, dat waren toch ook onze bevrijders?” 
“Ach… politiek… Het gaat ze alleen maar om de eigen zakken vullen en de macht houden.”
“Maar dat weet je toch met politici? Die denken alleen maar aan zichzelf.”
“En de politie… die staat erbij en kijkt ernaar. Laatst had iemand bij mij thuis de boel gekraakt, m’n hele voordeur lag eruit. Komt een agent die zegt meneer, ik ben hier omdat er een vermoeden van inbraak bestaat. Nou vraag ik je, m’n hele huis was overhoop gehaald.”
“Het is ook een zootje tegenwoordig… Neem nou die gastarbeiders. Den Uyl, die heeft ze toen allemaal binnengehaald omdat de Nederlanders het werk niet wilden doen. Hoe die Turken toen in de watten zijn gelegd…. en nu praten ze nog steeds geen woord Nederlands.”
“Nou.. dat was toch ook de VVD, die wilden wel goedkope arbeidskrachten binnenhalen voor vijf gulden per uur.”
“En nu… er is geen aardigheid meer aan tegenwoordig. Niemand heeft meer iets voor de ander over.”

“……”
“Nou ja.. ik hoop dat de vis u goed smaakt.”
“Dat zal wel lukken, zo slecht hebben we het ook weer niet dacht ik.”

De afgelopen jaren Ik heb al veel vaker betoogd dat het Huis van Thorbecke toe is aan een grondige renovatie. De manier waarop het openbaar bestuur is ingericht is dringend aan verbetering toe, de representatieve democratie schiet tekort en verdient tenminste aanvulling met directere vormen van burger invloed. Ik heb er vertrouwen in dat de inwoners van mijn stad en op veel andere plekken veel meer te melden hebben dan het rode potlood en een enkele inspraakavond aan kansen biedt.

Vorige week was er opeens code oranje voor de lokale democratie. De traditionele gemeenteraad voldoet niet meer en de burger moet veel meer en vaker z’n invloed laten gelden. Ik ben het er helemaal mee eens.
Er is dus werk aan de winkel voor de politiek. Maar laten we het ook eens over de burgers zelf hebben. Welke toegevoegde waarde heeft de ongepolijste en ongenuanceerde roep van inwoners die in weerwil van maatschappelijke ontwikkelingen ‘alles bij het oude’ wil houden? Wat als mensen via sociale media worden gemobiliseerd om opgefokte boosheid als mening in te brengen in een debat over – om maar eens wat te noemen – asielzoekers?

De roep om meer vormen van directe democratie kent volgens mij twee valkuilen.
Enerzijds zijn daar die vermaledijde usual suspects, meestal vermomd als hoogopgeleide, witte 50-plussende man. Aanwezig op elke inspraakavond, raadsvergadering en nieuwerwetse talkshow als bewonersbijeenkomst of G1000. Ook niet representatief dus.
Aan de andere kant zijn daar de buitenstaanders, de verongelijkten, de afhakers die nu per gelegenheid al dan niet spontaan of geregisseerd de ruimte vullen die ontstaat door de verlegenheid waarin het openbaar bestuur zich dezer dagen bevindt.

Dit schreeuwt om een nieuwe impuls voor de oude term verantwoord burgerschap.
Iedereen mag meedoen, maar wel graag weten waar je het over wilt hebben. Iedereen krijgt invloed, maar wel met bijbehorende verantwoordelijkheid. Iedereen mag zeggen wat-ie wil, maar wel met respect voor elkaar. Dat soort zaken.
De burger kan nog wel wat bijscholing gebruiken. Mooie taak voor scholen, voor het buurtcentrum (als het nog bestaat), voor kerken en moskeeën, voor bedrijven en maatschappelijke organisaties.

Nog werk genoeg te doen, dus.

Raadslid in 2016: 15,9 uur of ‘eight days a week’?

Geplaatst op 27 april 2016

Het rapport kent twee hoofdstukken (en een viertal bijlagen).
In het eerste hoofdstuk wordt een aantal elementen genoemd die maken dat de rol van de raad(sleden) ter discussie is komen te staan: regionalisering, vermenging privaat en publiek domein, politieke fragmentatie, nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid en -initiatief en de aandacht die er is voor versterking van de lokale democratie. Daarnaast concludeert de Rob dat raadsleden steeds minder sturend kunnen zijn op veel dossiers, binnen de samenleving nog weinig gezaghebbend zijn (wie vertegenwoordigen ze eigenlijk nog?) en steeds meer in tijdnood lijken te komen voor de toenemende hoeveelheid raadswerk.

Wie dit alles op zich in laat werken zou toch denken dat het tijd is voor een fundamentele herbezinning op de positie van de raad binnen het lokaal bestuur.
Want: wat zijn de politieke gevolgen van een ontwikkeling waarbij het Rijk veel taken bij de gemeente legt die te omvangrijk zijn om ‘alleen’ uit te voeren? Waardoor alleen maar meer tussen gemeenten moet worden samengewerkt? Welke politieke consequenties zou je moeten verbinden aan een ontwikkeling waarbij haast niemand zich meer rechtstreeks en voor vier jaar vertegenwoordigd voelt? En iedereen via facebook en twitter aan de raadsleden kan laten weten welk besluit ze de volgende dag zouden moeten nemen? En hoe moeten al die nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid bij de eigen buurt of wijk zich verhouden tot de productie van meerjarenvisies en beleidsplannen?

Maar nee, het antwoord van de Rob gaat niet gepaard met ook maar enige filosofische bespiegeling op de toekomstige verhoudingen binnen de lokale politiek. Wat we volgens Wallage c.s. gewoon nodig hebben is een “sterke gemeenteraad” die “krachtiger en bewuster optreedt” (pag. 19).
Hoofdstuk 2 maakt dan ook razendsnel de stap van naar een vijftal praktische adviezen.
Het raadslid anno nu…

  1. moet meer de boer op moet ten koste van het vergaderen en stukken lezen (“vertegenwoordigen is een werkwoord”)top5
  2. mag best een beetje gas terugnemen in het ‘politiek bedrijven’ (“burgers hebben liever oplossingen dan politieke strijd”)
  3. moet bij alle veranderingen goed opletten dat de democratische burgerrechten gewaarborgd blijven (“gelijke gevallen gelijk behandelen”)
  4. moet slimmer samenwerken met collega-raadsleden binnen én buiten de eigen fractie (“samen eens?, dan elkaar het woord laten voeren”)
  5. kan nog wel een extra slag maken met een deskundige griffie, de inzet van fractievolgers en effectievere vergadermethoden (“burgerraadsleden doen alvast ervaring op”).

Ik moet zeggen dat ik in de ruim 25 jaar dat ik binnen het lokaal bestuur heb gewerkt een aantal van deze adviezen toch al regelmatig heb gepredikt (bijv. 1, 2 en 5) of in elk geval heb zien langskomen. Daarmee kan ik de lijst-van-5 niet revolutionair noemen, en de uitwerking ervan is vooralsnog wat mager.
Daarom wil ik graag een paar opmerkingen kwijt die de discussie over de rol en functie van het raadslid van de hopelijk nabije toekomst verder kunnen helpen. Vooralsnog beperk ik me daarbij tot de materie die in het rapport aan de orde komt.

  • De raad mag wel wat minder politiek
    Het heeft me altijd al flink bezig gehouden dat een dorp of stad ‘geregeerd’ moet worden door een gezelschap dat elkaars opvattingen ten principale voortdurend wil bestrijden. De spagaat die dat veroorzaakt met het sámen gemeentebestuur zijn is er volgens mij mede debet aan dat er zo weinig vertrouwen is in de lokale politiek. De Rob maakt hier terecht een punt van. Het zou alleen aardig zijn als het rapport ook wat ideeën aanreikt om aan deze spagaat te ontsnappen. Ik heb al eerder betoogd dat het een gemeenteraad niet zou misstaan om zich de basics van de dialoog eigen te maken. Waarom zou er niet expliciet ruimte kunnen worden gecreëerd voor bijeenkomsten waar – nog niet gerijpte – voorstellen béter gemaakt kunnen worden door (desnoods fractiegewijs) ideeën aan te dragen? En dan natuurlijk zonder dat ze door andere fracties worden afgeschoten…
  • De raad mag wel eens meer samenwerken
    Ook een waardevolle aanbeveling van de Rob, maar de uitwerking mag best iets verder gaan dan “gedeeld woordvoerderschap”. In het verlengde van wat ik hierboven noemde lijkt het me buitengewoon waardevol dat er bij het begin van een raadsperiode serieus werk wordt gemaakt van de vraag wat de verschillende fracties bindt. Niet om tot een vaag geformuleerd coalitieakkoord te komen, maar om een basis te vinden voor een gezamenlijke inspanning voor de gemeente. En om daar maar eens een nieuwerwetse gril bij te halen: daar zou een G1000-achtige opzet een bijdrage aan kunnen leveren.
  • De raad moet gelijke gevallen gelijk behandelen…..
    …. maar niet te snel denken dat gevallen altijd gelijk zijn. Het is nog maar een paar jaar geleden dat de RMO ervoor pleitte “maatschappelijke initiatieven inhoudelijke zeggenschap te geven en de consequentie te aanvaarden dat dit leidt tot verschil in inhoud, omvang, identiteit en kwaliteit”. Lastige materie, dat zeker, maar het lijkt me jammer als het voorzichtig nadenken over een meer flexibele overheidsbemoeienis met maatschappelijke ontwikkelingen hierbij zo krachtig de kop wordt ingedrukt.  Vanwaar de haast om “”jongeren met een voorstel voor een skate-ramp op dezelfde manier tegemoet te komen als ouderen die een jeux-de-boules-baan wensen” (pag. 24)?
    Het zou boeiend zijn als een gemeenteraad het lef had eens te discussiëren over de vraag of de overheid (vaak) kwalitatief verschillende gevallen niet wat vaker ook verschillend durft te behandelen…
  • Raadsleden moet meer buiten dan binnen aan het werk zijn
    interruptDe Rob onderstreept graag het belang van de volksvertegenwoordigende rol van het raadslid. Alleen, ook hier mag het een tikje spitser. Natuurlijk is het belangrijk om de wijsheid en inzichten van de burgers te benutten in het raadsdebat en een raadsvergadering op locatie te combineren met een werkbezoek. Maar wat heeft de Rob gedaan met de aanbeveling van de Gemeenteraad van de Toekomst dat het raadslid vooral verbinder van ideeën moet worden? Dat gaat een slag verder: het veronderstelt dat de agenda van het raadslid vooral buiten het stadhuis moet worden opgesteld. En dat is vooral een mentale kwestie: raadslid ben je gewoon ‘eight days a week’.
  • Raadsleden moeten beter worden gefaciliteerd en toegerust
    Een jaar of vier geleden heb ik eens een rondje langs een aantal griffies gemaakt met de vraag hoe het stond met de opleidings- en scholingsbudgetten van de raad. Ze waren vrijwel overal wegbezuinigd! Ik ben bang dat het sindsdien niet verbeterd is.
    Veel aanbevelingen in het Rob-rapport gaan over het veranderen van gewoontes en het aanleren van een andere attitude van het raadslid. Van buiten naar binnen werken vraagt ook nieuwe vaardigheden die de raadsleden niet direct komen aanwaaien.Maar ben ik een slager die zijn eigen vlees keurt als ik zeg dat het doodzonde is als raadsleden zo weinig investeren in hun eigen deskundigheid? Elke manager en zzp’er weet dat de kwaliteit van je werk dan achteruit holt…

Het rapport ‘15,9 uur’ geeft gemeenteraden, politieke fracties en individuele raadsleden hopelijk een aanzet om de focus weer eens scherp te stellen: waar zijn we van en waar liggen onze prioriteiten? De vijf aanbevelingen zullen hierbij vast behulpzaam kunnen zijn. Maar om deze aanzet ook werkelijk te vertalen naar wezenlijke stappen vooruit is meer nodig. Alleen het rapport lezen is daarvoor bij lange na niet genoeg.

Gemeenteraad en dialoog – een lastige combinatie

Geplaatst op 20 november 2015

Wel eens meegemaakt? Een bevlogen raadslid houdt een gloedvol betoog over een kwestie die haar duidelijk raakt. Als ze klaar is reageert iemand van de oppositiepartij: “Tjonge.. interessant gezichtspunt. Vertel er eens iets meer over.”

Aan de directietafel, thuis op de bank of in de kroeg lijkt zo’n reactie heel normaal.
In de politiek niet. Veel gekozen politici kunnen nauwelijks wachten om hun ‘eigen’ verhaal te houden en zijn vaak amper geïnteresseerd in de mening – en meningsvorming – van de ander. Hooguit om die op effectieve wijze te kunnen bestrijden…

debatDe gedachte dat de gemeenteraad (of het Parlement) zelf in dialoog gaat is nog altijd vrij utopisch. Een aantal raadzalen in het land is zelfs ingericht als arena en voorbestemd voor het debat: het bestrijden van elkaar ideeën. Logisch vanuit de gedachte dat besluitvorming tot stand komt op basis van het verkrijgen van een meerderheid voor de je standpunt, dat je immers zo goed mogelijk voor de bühne moet brengen. En, over meerderheid gesproken, in het gros van de gevallen staat die al vast op het moment dat de ’gladiatoren’ de arena binnenlopen: in de fracties zijn de stellingen al betrokken en zowel de raad als de tribune kunnen koppen tellen.

Zelf heb ik het onlangs nog eens van dichtbij mogen meemaken. Als lid van een gemengde werkgroep (raadsleden en niet-raadsleden) presenteerden we een voorstel in een opinievormende vergadering van de raad. De diverse fractievertegenwoordigers hadden het voorstel al in eigen kring besproken en gaven om beurten hun mening. En nadat de rook van de beschietingen was opgetrokken bleek dat er van een gesprek geen sprake was geweest; wel was het voorstel om de meest uiteenlopende redenen per saldo kundig afgeschoten.

Dialoog in de raad? Het blijkt nog altijd een contradictio in terminis.
De gedachte dat je als collectief al luisterend naar elkaar samen tot goede besluitvorming komt zal menig raadslid vreemd zijn en is voor zover ik weet in geen enkel huishoudelijk reglement tot uitdrukking gebracht. Integendeel: het bestaansrecht van de gemeenteraad lijkt juist gebaseerd op het principe dat er meningsverschillen zijn. En het zijn vooral die verschillen die te berde gebracht en zelfs uitvergroot worden.

Terug naar het raadslid uit de eerste alinea. Hoe kan zij worden gestimuleerd om haar ideeën – bijvoorbeeld over de ruimtelijke ontwikkeling van haar gemeente – uit te werken? En – belangrijker nog – hoe zorgen haar collega-raadsleden er voor dat hun ideeën daar niet tegenover gesteld, maar naast gelegd of zelfs bovenop gestapeld worden?

olifant parabelIk denk dat we voor het beantwoorden van deze vragen iets van het gedachtegoed van de dialoog kunnen leren. Belangrijk hierin is vooral het ‘uitstel van het oordeel’. In de dialoog draagt vooral het luisteren naar elkaars verhalen bij aan de goede beeldvorming. En dan is het opeens helemaal niet erg dat iedereen maar een stukje van de werkelijkheid ziet (de olifant!), integendeel. Samen maak je immers het beeld compleet?

Het zou goed zijn om de dialoog een grotere kans te geven binnen het politieke werk. Daarvoor doe ik graag een paar suggesties.

  1. De eerste kans ligt binnen de politieke fracties. Ik ga er vanuit dat daar een goed gesprek wordt gevoerd waarin de aanwezigen voldoende worden gehoord en waar naar elkaar geluisterd wordt. (Hoewel: het hoge aantal bespreekpunten en de soms strikte portefeuilleverdeling staat dit nogal eens in de weg.)
    De uitkomst van een fractieberaad is doorgaans de input voor de vergaderingen van de raad. Maar een fractie is geen koekoek éénzang. Dus waarom niet de nuance in of diversiteit van de meningen en ideeën ingebracht? Het zou het gesprek in de raad alleen maar ten goede komen.
  2. Veel gemeenten hebben inmiddels de aloude commissievergadering afgeschaft. daarvoor in de plaats zijn vele vergadervarianten (met soms exotische namen) gekomen. De ambitie daarbij was veelal dat de raadsleden met elkaar het gesprek zouden aangaan in plaats van het College te bestoken met vragen. Van die goede bedoelingen is nog maar weinig terechtgekomen.
    Naar mijn idee is een belangrijke oorzaak hiervan de fractiegewijze inbreng hiervan. In combinatie met een doorgaans dichtgetimmerde vergaderorde én een zaalopstelling die vooral uitnodigt tot zenden in plaats van delen kan een dialoog zo natuurlijk niet van de grond komen.
    Dus waarom niet wat meer experimenteren met andere werkvormen, waarin bijvoorbeeld de ‘herkomst’ van de opvattingen wat minder prominent een rol speelt? Die meer uitdagen tot het exploreren van ideeën in plaats van het tegenover elkaar zetten van standpunten?
  3. De Raad is ‘de baas’ van de gemeente. Rekening houdend met verschillen in idealen en opvattingen mag van zo’n gezelschap worden verwacht dat het er op uit is om gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor besluiten die de gemeenschap raken.
    Het grootste verschil tussen debat en dialoog is dat bij de eerste de verschillen worden uitvergroot en er een winnaar (dus ook verliezer) uit de strijd komt, terwijl in het tweede geval vooral het gezamenlijke gelijk wordt gezocht.
    In een democratie neemt het debat een belangrijke plek in. Terecht: er moet uiteindelijk ook iets te kiezen zijn. Maar die andere kant van de medaille zou best eens wat vaker de nadruk mogen krijgen: de gemeenteraad is ook een groep vrijgestelde mensen die zich de opdracht stellen samen het goede te zoeken voor de gemeente.
    Dus waarom niet wat vaker als collectief de ontmoeting met de inwoners zoeken en écht luisteren naar wat er in de wijken en buurten leeft? En vervolgens wat vaker laten zien dat je als gezamenlijk gemeentebestuur daarop je koers uitzet?

Boeiend, om over dit soort zaken met elkaar de dialoog aan te gaan. Ik houd me aanbevolen!

Nederland in dialoog?

Geplaatst op 11 november 2015

Deze week vindt weer in zo’n 90 steden de Dag van de Dialoog plaats. Aan allerlei dialoogtafels komen mensen bij elkaar om met elkaar kennis te maken, ervaringen uit te wisselen en hun dromen en ideeën te delen.
In deze maanden lijkt dat haast een cynische onderbreking van de realiteit. De ontwikkelingen rond de Eurocrisis en met name de vluchtelingencrisis lijken de samenleving behoorlijk onder druk te hebben gezet. Of, zoals iemand onlangs vertwijfeld riep: het is gewoon niet leuk meer in Nederland.

  • De overheid wordt verweten geen heldere keuzes te maken (Den Haag) of juist autoritair beslissingen te nemen zonder burgers daarin te kennen (gemeenten).  Vooral de landelijke politiek lijkt bij de stellingname vooral de opiniepeilingen als leidraad te gebruiken
  • De media lijken in hun tomeloze honger naar uitgesproken meningen alleen de uitersten in opvattingen te willen honoreren in de kolommen en zendtijd. Zo wordt de nuance te weinig gehoord, want dat verkoopt immers niet.
  • En de burgers tenslotte laten weinig blijken van empathie voor de mening van ‘de ander’: je bent een fascist of je doet Nederland in de uitverkoop aan de islam.

Bij alle discussies en verhitte bijeenkomsten speelt de illusie dat er een (directe) oplossing voor de problemen is een belangrijke rol. “Sluit de grenzen” en “Ontvang die arme stakkers met open armen” zijn de uiteinden op een schaal waarop het gelijk bevochten wordt. En de kern van elk debat is immers dat de een gelijk krijgt en de ander niet?

Tegenover debat en discussie staat de dialoog. Daarin ga je samen met anderen op zoek naar wijsheid voor de toekomst. Dat kan abstract, maar wordt soms ook heel concreet. Als je er vanuit gaat dat twee meer weten dan één, en dat het inzicht over meer mensen verdeeld is (denk aan de parabel van de blinden en de olifant), ga je de winst van de dialoog toch al snel inzien?
Een van de kenmerken van de dialoog is  immers dat ‘mijn gelijk’ niet bestaat. In relatie tot de ander kan dat ook niet, tenzij je de wereld wilt opdelen in winnaars en verliezers. En daar hebben we al genoeg ervaring mee.
Ik denk dat we er naartoe moeten dat de route belangrijker gaat worden dan de – van tevoren dichtgetimmerde – bestemming. We zullen er in elk geval veel meer aandacht aan moeten besteden, wil het in ons land niet verder uit de hand lopen.

dvddDe Dag van de Dialoog lijkt een druppel op de- momenteel behoorlijk – gloeiende plaat. Maar laten we er vooral mee doorgaan.

Het referendum, de democratie en het achterhoedegevecht

Geplaatst op 30 september 2015

Ik wreef even mijn ogen uit toen ik de Trouw van 30 september digitaal opensloeg. Het stond er echt: op de opiniepagina riep Lex Oomkes de Nederlanders op om de ‘nieuwerwetsigheid’ van het referendum maar zo snel mogelijk om zeep te helpen.

Nu heeft Oomkes natuurlijk wel een punt als hij twijfelt aan het nut van een volksraadpleging over een alleen voor insiders leesbaar handelsverdrag tussen de EU en Oekraïne. En inderdaad, dit referendum zal straks door tegenstanders worden verkocht als een peiling over hoe de EU-vlag er op dit moment bij hangt. Wat de uitslag ook gaat worden,m we zullen er dus niet veel wijzer van worden.

calm downAlleen: ik wil wel forse vraagtekens zetten bij het gemak waarmee Oomkes de opruiende GeenStijl-actie gebruikt om serieuze twijfels over onze democratie ter discussie te stellen. Hij zet zich af tegen de heersende gedachte dat “democratie pas democratie is als je jezelf kunt presenteren”. En gebruikt vervolgens een klassieke drogreden om zijn stelling kracht bij te zetten: een quote van een Amsterdamse dame die een dag eerder in Trouw haar reactie op het referendum gaf. Theatraal roept Oomkes vervolgens uit: “hoeveel partijen moeten er nog meer komen voordat zij zich wel vertegenwoordigd voelt?”

Je moet wel een ouderwetse hardcore fan van ons kiesstelsel zijn om met droge ogen te kunnen volhouden dat onze representatieve democratie boven elke twijfel verheven is. (Aardigheidje: Harm Beertema zit in de Tweede Kamer met op zijn conto 433 stemmen. In mijn straat wonen al bijna meer mensen.) Van Reybrouck,  In ’t Veld, Wallage, Cohen, Van Gijzel, zelfs Plasterk: in wisselende bewoordingen zeggen ze allemaal dat er meer vormen van directe democratie nodig zijn. Het referendum, loting, de burgerbegroting, ‘variatie in representatie’: het zal allemaal niet volmaakt zijn, maar het zijn goede pogingen om het lek dat al een tijdje boven is te repareren.

Jammer dus als een Trouw-columnist aan de hand van een makkelijke casus pogingen tot vernieuwing van de democratie als onzinnige ‘nieuwerwetsigheid’ wegzet. Er zijn zeker kanttekeningen te plaatsen bij het raadgevend referendum, maar Oomkes lijkt te doen alsof je beter alles bij het oude kunt houden. Hij schampert  over “de moderne samenleving, waarin ideologie geen ordenend principe meer is, maar waarin de allerindividueelste behoeften en ervaringen allesbepalend zijn.”
In welke tijd leeft hij? Je kunt wel van alles vinden van de ontwikkelingen om je heen, maar het is niet handig om het bestaan ervan te ontkennen.

 

Zwolle speelt met de doe-democratie

Geplaatst op 4 september 2015

Alweer twee jaar geleden maakte ik me boos over de stadswachten van Zwolle.
In een tropische week hadden ouders een opblaasbad op de stoep gezet voor de kinderen uit de buurt. Maar dat mocht niet: het badje moest leeg en verwijderd worden, op straffe van een dwangsom van € 250,- per dag. In het themanummer ‘De verzorgingsstaat voorbij’ van politiek magazine ‘Denkwijzer‘ kreeg ik indertijd ruimte om mijn ergernis over dit voorval van me af te schrijven.

divingHet is ongetwijfeld teveel eer om een verband te leggen, maar toch was ik blij verrast met het artikel dat ik vorige week in ‘De Stentor’ las: het Zwolse College B&W gaat in beroep tegen een besluit van de Nederlandse Voedsel- en warenautoriteit om op een aantal plekken in de stad speeltoestellen te verbieden die door bewoners zelf zijn geplaatst. Ze zouden niet voldoen aan de eisen die gelden voor gebruik in de openbare ruimte.

Het verweer van Zwolle is vooral dat hier sprake is van een pilot die helemaal past in de trend van dit moment: meer verantwoordelijkheid leggen bij de burger en minder zelf willen regelen. “En als het binnen de bestaande wetgeving niet kan, moeten ze de wet maar veranderen”, zegt wethouder Van As` er stoer bij.

De veranderde houding van het Zwolse gemeentebestuur lijkt wel een abrupte bekering: eerst ben je roomser dan de Paus, en binnen twee jaar gooi je ‘de kont tegen de krib’ en moet de leer maar aan het leven worden aangepast. Wat een paar jaar tamboeren op de trommel van de doe-democratie al niet vermag…

Wat mij betreft alle lof voor het lef van het College. Het is niet meer van deze tijd dat de overheid zich zo in detail met het ordenen van de samenleving bemoeit.
Maar toch doet zich in Zwolle iets merkwaardigs voor, wat eigenlijk ook al weer voorspelbaar is. Wie op het nieuws van vorige week een beetje doorklikt op internet leest dat allerlei inwoners van de stad nu roepen dat ze helemaal niet willen dat er zomaar ‘onveilige’ speeltoestellen op het openbare gras kunnen staan. “Mijn kind zal maar van die trampoline vallen..” En je vraagt je dan al snel af: zouden dit dezelfde ouders zijn die het in 2013 zo ‘belachelijk’ vonden dat de gemeente zich bemoeit met een zwembadje op de stoep?
Het SCP-rapport ‘Een beroep op de burger’ meldde in 2012 al dat er iets dubbels in de houding van burgers zit. De overheid moet de burgers vooral niet in de weg lopen, maar aan de andere kant ook voor onheil behoeden en ‘verzekeren’. Kortom: de overheid kan het nooit goed doen.

Elke HRM’er weet dat je bij het formuleren van functie-beschrijvingen in de organisatie de begrippen ‘verantwoordelijkheid’ en ‘bevoegdheid’ vooral samen-op moet laten gaan. Ik denk dat hier nog wel wat te leren valt als het gaat om de relatie tussen overheid en burgers:

  • spelen op eigen risicoenthousiaste inwoners die zich (terecht) teveel belemmerd voelen door de gemeente en meer bevoegdheden opeisen moeten zich realiseren dat daar ook verantwoordelijkheden bij horen (dus niet klagen als er eens iets mis gaat);
  • een gemeente(raad) die de mond vol heeft over het leggen van meer verantwoordelijkheid bij de burgers moet beseffen dat daar ook bij hoort dat mensen het daarbij ook meer zelf voor het zeggen krijgen (dus niet opeens allerlei eisen stellen aan ‘uitbesteed werk’) .

Ondertussen ben ik benieuwd hoe het met de ‘burgerlijke ongehoorzaamheid’ in Zwolle afloopt. Wordt vervolgd denk ik.

Politieke uitdaging – van buiten naar binnen werken

Geplaatst op 19 juni 2015

Er zijn van die momenten dat je als tribuneklant bij een vergadering van raadsleden de draad even helemaal kwijt bent. (Om eerlijk te zijn: best vaak eigenlijk.) Zoals afgelopen dinsdag in een vergadering van ‘De Ronde’ in het stadhuis van Amersfoort.
Er stond een rondetafelgesprek geagendeerd, waarin een aantal raadsleden en de wethouder de “ambities, aanpak en voortgang” van het College met het thema bestuurlijke ontwikkeling bespraken. Die waren keurig aangereikt in een Raadsinformatiebrief. Daarin stond uitvoerig opgesomd welke resultaten de gemeente in het afgelopen jaar op dit terrein al had bereikt. Voorwaar een imposante lijst.

loesjeOmdat er geen duidelijk resultaat bij het agendapunt was aangegeven konden de aanwezige raadsleden vrijuit van gedachten wisselen over inspraak, burgerparticipatie en wat niet al. En zoals dat dan meestal gaat: binnen tien  minuten was de spraakverwarring compleet. Waar de één vond dat de inspraakverordening toch duidelijke kaders gaf voor het meepraten van burgers, stelde een ander blijmoedig voor eens goed te kijken of de raad de bevolking van de stad niet ‘the Right to Challenge’ moest verlenen. Een derde stelde laconiek vast dat “90% van de zaken waar wij ons hier mee bezig houden de burgers geen snars interesseert, omdat zij wel betere dingen te doen hebben, en we moeten niet proberen dat te veranderen”. En een vierde raadslid deed als duit in het zakje dat het verstandig is om eensoort blauwdruk te ontwikkelen waarlangs je goed kon aflezen in welk domein welke mate van sturing en dus welke vorm van burgerbetrokkenheid geschikt was.

De bijeenkomst werd een schitterend voorbeeld van wat Leon de Caluwé ooit al eens ‘vuilnisvatbesluitvorming’ noemde (Voor de liefhebber: ‘Leren veranderen’, pag. 18.). Je neemt een vaag onderwerp, maakt een rondje en iedereen vindt er wel iets van. Het waait alle kanten uit zonder dat er wezenlijk een vraagstuk bij de kop gepakt wordt en tenslotte heb je tien onderwerpen in het vat gegooid, waarbij iedere deelnemer wel van eentje denkt: “zo, dat heb ik even mooi gezegd.”

Toch bleef de opmerking van dat raadslid over die 90%  bij mij hangen. Zou je die ook op het daar voorliggende thema kunnen toepassen? Raadsleden gaan met elkaar in gesprek over een onderwerp dat – op de manier waarop het wordt aangevlogen – haast niemand buiten het stadhuis interesseert, omdat het typisch ‘van binnen naar buiten’ denken is.  En ondertussen gebeurt er ‘buiten’ al van alles wat natuurlijk het onderwerp raakt, maar toch een andere realiteit is.

Ik wil hier twee kanttekeningen bij maken. Ze liggen in elkaars verlengde.

  1. Verschillende raadsleden benaderden de ambitie van bestuurlijke ontwikkeling vanuit de  vraag “hoe en in welke mate betrekken we de inwoners bij onze plannen?”. Een vraag die je goed kunt beantwoorden met een reglement, een beleidsnota of – als je ’t lef hebt -zelfs met een experiment, Maar het blijft van-binnen-naar-buiten gedacht. En wie de ontwikkelingen rond de doe-democratie een beetje volgt (landelijk, maar zeker ook in Amersfoort), ziet dat de beweging juist de andere kant op gaat: van-buiten-naar-binnen. Bewonersinitiatieven, maatschappelijk actieve zzp’ers, buurt- en wijkgroepen, ze stellen de vraag steeds vaker andersom: “(wanneer) betrekken we de overheid bij onze plannen”?
  2. Geen kwaad woord over de Raadsinformatiebrief van het College. Hij bevat veel prawisektische acties van gemeente en inwoners samen. Maar blijkbaar daagt zo’n correspondentie met de Raad plus het agenderen ervan nog steeds uit tot de behoefte aan meer systeem-werkelijkheid. De vragen aan het College gaven daarvan blijk: kom met een goede definitie van participatie, geef aan wat je visie is, vertaal het stadscafé naar beleidsvoornemens. Je hoeft ‘Vertrouwen in burgers’ (WRR) er maar op na te slaan om te weten hoe die systeem-werkelijkheid totaal haaks staat op de beleefde werkelijkheid.

Het was dus niet zo vreemd dat ‘De Ronde’ van 16 juni eindigde in een vraagteken.
Terwijl de raadsleden niet goed wisten welke vorderingen het afgelopen uur werden gemaakt, ging de vernieuwing en ontwikkeling buiten het stadhuis gewoon door. De War, De Nieuwe Stad, Bewoners033, De Wagenwerkplaats,  Burennetwerk Schothorst…. de verhouding tussen stadhuis en stad kon op dit moment wel eens vooral door de stad worden bepaald.
Bestuurlijke ontwikkeling lijkt daarom steeds meer een verhaal van ‘van-buiten-naar-binnen’ te worden. Tijd voor nieuwe politiek?